Op grond van samenwerking: oude en nieuwe commons in Vlaanderen

Tot in de negentiende eeuw werden, ook in Vlaanderen, sommige gronden gemeenschappelijk beheerd en bewerkt. Dit systeem raakte uit de gratie en al deze gronden werden geprivatiseerd. De afgelopen jaren echter zijn er verschillende initiatieven ontstaan, op vlak van wonen, voedselproductie en trage wegen, die teruggrijpen naar deze oude modellen om een antwoord te bieden op hedendaagse uitdagingen. Het onderzoeksproject INDIGO bestudeerde de afgelopen drie jaar een aantal van deze initiatieven. Op 13 november werd het boek “Op grond van samenwerking” voorgesteld, dat de resultaten van het onderzoek bundelt en ook mensen uit de praktijk aan het woord laat. Pieter Van den Broeck (KUL), een van de redacteuren van het boek, leidde de studiedag waarop het boek werd voorgesteld in. We geven hier zijn boeiende inleiding, waarin hij de geschiedenis van deze gemeenschappelijke gronden of commons in Vlaanderen belicht en de link maakt met hedendaagse evoluties, zoals die bestudeerd werden in het INDIGO project.

Het startpunt van INDIGO was de vaststelling een aantal jaren geleden dat eigendom eigenlijk de motor is van de fragmentatie in Vlaanderen en dat daarover weinig onderzoek beschikbaar is. Dat het vraagstuk heel actueel blijft, blijkt bijvoorbeeld uit de discussie over de betonstop in Vlaanderen, en uitspraken van de Vlaamse bouwmeester over hoe crimineel Vlamingen wel bouwen. In de aanloop naar de verkiezingen toonde één van de debatten, dat over wonen, echter hoe ondermaats deze discussie wordt gevoerd. Dat debat ging totaal voorbij aan dieperliggende mechanismen die met de verdeling van grond in Vlaanderen en België te maken hebben. Het negeerde ook de grote bedreigingen/uitdagingen waar onze regio, heel Europa en onze planeet mee worden geconfronteerd, reduceerde de Vlaming tot een barbecueënde liefhebber van open bebouwing, en miskende het bestaan en ontstaan van een groot aantal heel diverse manieren van omgaan met grond, waaronder de zogenaamde commons.

Van commons naar markt en terug

Vermarkting en enclosure. Deze reductie in het debat is geen toeval. Een ontelbaar aantal auteurs legde bloot dat sinds de crisis van de welvaartsstaat in de jaren 1970, Westerse overheden, stilaan een dominant (neo-)liberaal kapitalistisch beleid ontwikkelden, dat zich niet zozeer richt op maatschappelijke herverdeling, maar veeleer op het ontwikkelen van winstgevende sectoren, ondersteunen van grote multinationale ondernemingen, stimuleren van competitie, individualiseren van rechten en plichten van burgers, gebruiken van de vastgoedsector voor economische groei, en dies meer. Dit leidde onder andere tot de ongebreidelde extractie van de hulpbronnen van onze planeet, de concentratie van kapitaal en hulpbronnen, een steeds sterkere greep door een beperkt aantal grote bedrijven op alle onderdelen van ons dagelijks leven, de overname van stadsdelen en rurale gebieden door multinationale vastgoedbedrijven, en de stijging van ongelijkheden en maatschappelijke segregatie. Burgers voelen dan ook meer en meer aan dat overheden en de private sector niet langer voorzien in vele van hun behoeften en mogelijkheden, of zich de facto richten op een heel enge interpretatie daarvan.

Deze evolutie heeft veel oudere wortels. De veelzijdige sociale wetenschapper Karl Polanyi betoogde in 1944, dat de Westerse samenleving rond 1800, de markteconomie dominant maakte over het sociale leven en het ecologisch systeem. ‘De markt’ werd, in plaats van een mechanisme om hulpbronnen en producten te verdelen door ze te verhandelen, veeleer een basisprincipe om de samenleving te organiseren. De maatschappij koos ervoor om niet alleen goederen, maar ook grond, mensen en geld verhandelbaar te maken of met andere woorden te ‘commodificeren’. In de marktsamenleving werd de waarde van goederen, grond (natuur), mensen (arbeid) en geld voortaan uitgedrukt in respectievelijk een marktprijs, grondrente, loon en financiële rente en gereduceerd van een gebruikswaarde naar een handelswaarde.

Met de transformatie van de samenleving naar een marktsamenleving ging ook een transformatie van (de kijk op) grond gepaard. In functie van een zo efficiënt mogelijke extractie en exploitatie van grond en zijn hulpbronnen, en de ontwikkeling van bijbehorende industriële processen, werd grond ingenomen, soms met geweld maar niet altijd, de gebruiksrechten ervan geconcentreerd en bewoners (meestal landbouwers) verdreven. Dat proces wordt ook wel ‘enclosure’ genoemd en ontwikkelde zich in het bijzonder in Wales en Engeland aan het eind van de 18de eeuw maar was vanaf de 16de eeuw in heel Europa in diverse vormen merkbaar. Om grond beter verhandelbaar te maken ter ondersteuning van industrieel-economische processen, werden systemen ontwikkeld om grond te privatiseren, vervreemden, individualiseren, abstraheren, (markt)waarderen en vrij te maken van bestaande gebruikers. Met het proces van ‘enclosure’ verdwenen ook de bestaande vormen van gedeeld grondgebruik en -beheer. Als een relatief recent fenomeen, werden de ‘commons’ stilaan, en tot op de dag van vandaag, in bezit genomen.

Afschaffing van de commons in Vlaanderen. Ook Vlaanderen kende haar eigen ‘enclosure’ en het verdwijnen van commons. Tot de 18de eeuw vroegen vooral lokale overheden om het verdwijnen van commons, maar wonnen de lokale gebruikers vaak het pleit voor het behoud. Ook zetten innovaties in het landbouwsysteem en de bevolkingsgroei de commons onder druk. Pas het Oostenrijkse bewind probeerde in de tweede helft van de achttiende eeuw als centraal bestuur in te grijpen op de commons. Gemeenschappelijk gebruikte gronden pasten niet in het ‘modern en rationeel landbouwbeleid’ dat het wilde invoeren. Hoewel dat leidde tot een ordonnantie van Maria-Theresia van 1772 waren de effecten op het terrein beperkt. De Franse wet van 1793 over de gemene goederen (Décret concertant le mode de partage des bien communaux) had wel effect en wees gemene gronden toe aan gemeenten. De wet wijzigde ook het eigendomsrecht van gebruikers, zoals omschreven in de Franse Code Civil van 1804, in een gemeenschappelijk vruchtgebruik. De gemeente werd vanaf dan de nieuwe wettelijke eigenaar. De wet van 25 juni 1847 inzake de vereffening van onbebouwde terreinen (‘Le défrichement des terrains incultes’) stipuleerde de verplichte privatisering van onontgonnen land in het bezit van gemeenten en gemeenschappen en de onteigening ervan door de staat zodat ze verkocht konden worden. De combinatie van de wet met subsidies voor irrigatie en kanalisering maakte van de verkoop van duizenden hectaren grond in de provincie Antwerpen een lucratieve bezigheid. Veel land werd gekocht door de koopkrachtige stedelijke bourgeoisie. Dit sloot de lokale boeren uit van de verkoop, tenzij de gemeenteraad besliste om te verkopen in heel kleine percelen, wat gebeurde in enkele gemeenten. Na deze verkoopperiode zou gedurende de tweede helft van de 19de eeuw, ongeveer al het gemene land in Vlaanderen verdwijnen, waarbij hier en daar nog wel wat resten te vinden zijn.

Extractie en consumptie. Het vermarkten van de samenleving en het afschaffen van gemene gronden heeft over de eeuwen heen bijgedragen tot een enorme stijging van de productiviteit, opschaling van productieprocessen, functionele differentiatie en professionalisering in uiteenlopende domeinen van de samenleving, en comfort en beschikbaarheid van allerlei hulpbronnen voor een deel van de wereld. Heel andere gevolgen waren exponentiële bevolkingstoename, spectaculaire extractie en uitputting van grondstoffen, uitstoot van restproducten, klimaatwijziging, concentratie van rijkdom in de handen van enkelen, verdringing van lokale productieprocessen en bevolkingsgroepen enz. Het leidde ook tot voortdurende grond- en ruimteinname, aanhoudende en steeds snellere verstedelijking en verstening, uitbreiding van industriële landbouw en kappen van bossen, opkopen van landbouwgronden, grondspeculatie en verwerving (‘land grabbing’), concentratie van grondrechten, en monopolisering van toegang tot land en water. Dit gebeurde eerst in de Westerse wereld maar ondertussen in alle werelddelen. Vandaag worden in Vlaanderen nog steeds 3 hectare grond per dag omgezet van open ruimte naar stedelijke functies.

Van gebruik naar bezit. Volgens onder andere de Italiaanse jurist Ugo Mattei, ook bekend van zijn succesvol verzet tegen de privatisering van de waterlevering in Italië, speelden ook de staat en het juridisch systeem een belangrijke rol in het privatiseren, afschaffen en verdwijnen van de commons. De oppositie publiek – privaat, die vandaag als vanzelfsprekend wordt aangezien, is volgens hem slechts een schijntegenstelling. In het creëren van de marktsamenleving speelde de staat immers een essentiële rol. Niet alleen legitimeerde de staat de eerste grondinnames door bedrijven, de ‘enclosure’ en ‘dispossession’, met behulp van allerlei wetgeving, maar produceerde en reproduceerde zij vele van de mechanismen van de marktsamenleving. De staat speelde zelfs een heel actieve rol in het verdwijnen van commons en de start van de cyclus van kapitaalsaccumulatie via ondernemingen (de ‘primitieve accumulatie’) door gemene grond te benoemen als ‘res nullius’ (niemands grond) in plaats van ‘res communis’ (gemene grond), te onteigenen en vervolgens aan de private sector te geven of goedkoop te verkopen, waarna de speculatieve vastgoedcyclus van steeds toenemende marktwaarde kon starten.

Als onderdeel van de staat, was ook het Westers juridisch systeem en meer bepaald het principe van ‘eigendom’ daarin, essentieel voor de ontwikkeling van de marktsamenleving. Onder andere jurist John Sheehan schetst hoe na de Middeleeuwen het Romeins eigendomsrecht opnieuw wordt opgepikt maar ook geherinterpreteerd. Hij argumenteert dat het feodale systeem van flexibele, onderhandelde en gelaagde grondgebruiksrechten maar ook plichten, stilaan vervangen werd door het begrip ‘eigendom’ (property), dat bovendien meer en meer absoluut werd, en waarin eigenaars volledig beschikkingsrecht kregen over hun grond zonder dat daar nog verantwoordelijkheden naar de gemeenschap tegenover stonden. Voor België werd dit in 1804 ingebed in het Napoleontisch burgerlijk wetboek en later in de grondwet, bijvoorbeeld in de limitatieve opsomming van een tiental mogelijke grondgebruiksrechten (de ‘numerus clausus’) en de strikte scheiding van publiek en privaat eigendom. Sindsdien is daar nog nauwelijks verandering in gekomen. De vervanging van grondgebruik en -beheer door grondbezit en -eigendom, reduceerde de complexe sociale relaties gerelateerd aan grond (reciprociteit, eigenaarschap, recht op gebruik, toegang, plicht tot zorg en instandhouding) tot marktrelaties. Dit gebeurde bijvoorbeeld met behulp van registratiesystemen (kadaster), onroerend goed belastingen, marktgerichte grondwaardeschattingen, verkavelings- en vergunningensystemen, financiële en vastgoedmechanismen, ontwikkelingsrechten enz.

De tegenbeweging. De geschiedenis van de enclosure, de marktsamenleving en het recent (neo-)liberaal kapitalisme, verklaart de steeds dringendere roep om de commons als gedeeld grondgebruik en -beheer in ere te herstellen, op conceptueel, juridisch, organisatorisch, politiek, economisch en cultureel vlak, in de hoop dat door de herintroductie ervan, de mechanismen van de markt minder allesomvattend worden. Mensen verzetten zich op heel verschillende manieren tegen het neo-liberalisme en de bijbehorende nieuwe golf van ‘enclosure’, zoals ze zich in voorgaande episodes van concentratie van grondgebruiksrechten ook hebben verzet. Voortdurend zijn er tegenbewegingen geweest. Mensen onttrekken zich vaak impliciet aan de marktmechanismen door er gewoon niet aan mee te doen. Terwijl overheidsingrijpen een belangrijke factor was voor de ontwikkeling van de marktsamenleving, hebben overheden ook een grote mediërende rol gespeeld om de effecten van de marktwerking te temperen. Grote delen van de samenleving zijn niet of weinig betrokken in de markt, denk maar aan onderdelen van het ambtenarenapparaat, de sociale economie, vrijwilligersverenigingen, coöperaties met sociaal oogmerk, of gewoon dagdagelijkse solidaire uitwisselingen tussen buren, collega’s, familieleden en vrienden. Mensen starten ook voortdurend nieuwe initiatieven op om in de menselijke behoeften te voorzien, die niet uit zichzelf winstgedreven zijn. Het blijkt dat hoe sterker de pogingen zijn om nieuwe onderdelen van de samenleving in het marktmechanisme in te schakelen, hoe heviger de tegenreactie en hoe groter het aantal commonsgerichte initiatieven wordt.

INDIGO: landed commons onderzocht

In ons onderzoeksproject INDIGO zijn we hiermee aan de slag gegaan. We wilden ons daarbij vooral concentreren op de volgende vragen, die ook geëvolueerd zijn in de loop van het project.

  • hoe worden landgebruiksrechten geregeld en geproduceerd in Vlaanderen?
  • welke eigendomsregimes zijn er ‘tussen’ private en publieke eigendommen, inclusief ‘commons’? En hoe definieer je die dan?
  • hoe kunnen gedeeld grondgebruik en -beheer in commons-initiatieven oplossingen aandragen voor de aanhoudende grondinname?
  • hoe worden commons onderhandeld en gecreëerd?

Het onderzoek richtte zich op grondgebonden of landed commons. Vandaag gaat veel aandacht naar immateriële commons zoals kennis, maar de urgentie voor landed commons – grond, eigendom, landgebruik – lijkt minstens even groot.

Uitdagingen voor de commons

De confrontatie van de tegenbeweging met de vermarkte samenleving leidt naar een aantal uitdagingen voor de commons.

Een eerste uitdaging is de markt terug op zijn plaats te zetten, en te herleiden tot een mogelijk uitwisselingsmechanisme. Een vaak gebruikte definitie ziet commons als het geheel van een gemeengoed, de gemeenschap die dit beheert, en de regels die de gemeenschap opstelt om het goed in samenwerking te beheren. Wij pleiten ervoor om ook andere definities mee aan boord te nemen, vooral omdat commons niet los kunnen gezien worden van hun context. Meer uitgebreide definities zien commons als alles wat niet privé noch publiek is. Of zelf beheerde niet vermarkte sociale ruimten. Of alles wat gemeenschappelijk is. Commons kunnen ook gezien worden als politiek begrip, als de politieke praxis van vergemeenschappelijking. Nog breder verwijzen commons naar een ander wereldbeeld, dat niet alles als grondstof ziet maar als realiteit waarvoor we moeten zorgen. Commons zijn dan een alternatief, ecologisch (geen antropocentrische uitputting maar sociaal-ecologische diversiteit), economisch (geen loutere markteconomie, maar een circulaire, generatieve, sociale, diverse economie), politiek (contributieve democratie, die een representatieve en participatieve legitimiteit aanvult), organisatorisch (hybride governance/beheers vorm met naast centrale sturing en marktwerking, ook zelforganisatie, vrijwilligheid, solidariteit, horizontaliteit en affectieve relaties), juridisch (met een focus niet langer op eigendom, maar op gebruik en beheer), cultureel (niet de homo economicus maar de homo cooperans), en ethisch (van extractie naar zorg).

Een realistische utopie. In sommige opvattingen vormen de commons een allesomvattende basis voor een postkapitalistische maatschappij. We denken dat dit maximalistisch, utopisch begrip van de commons, kan inspireren als een soort van radicale horizon. Maar een dergelijke invulling van de commons bevat het risico dat het een puur radicaal utopisme wordt dat het privébezit wil afschaffen en de staat vernietigen. Dit laat geen ruimte voor diversiteit in en meningsverschil over de invulling van de commons. Het kan leiden tot het autoritair opleggen van commons of een onrealistische hoeveelheid goede wil vragen van de commoners. Daardoor is dit perspectief in wezen a-politiek en dat is niet waar we voor staan. Een heel andere vorm van depolitisering van de commons ontstaat wanneer de herontdekking van de commons als antwoord op economische crises wordt gezien, en alleen dient voor het overnemen van de taken van een terugtrekkende staat en een falende markt. Commons worden dan in feite systeembestendigend. Nog erger wordt het als de commonsbeweging een nieuwe fase in het kapitalisme inluidt. Uber, airbnb en facebook zijn geen commons, maar neokapitalistische bedrijven. Niet alle voorbeelden van zelforganisatie, horizontaliteit of deel-economie zien we als commons. Tegenover de allesomvattende commons en de neo-kapitalistische commons, staat een commonsbeweging van politiek realisme, die steun biedt aan commons-initiatieven hier en nu. Ons onderzoek en het boek dat we vandaag presenteren pleit in navolging van onder andere Tine Hens, Hans Achterhuis en Lieven De Cauter voor kleine revoluties, kleine utopieën, en politiek realisme maar gemeten aan de abstracte universele commons.

Hybride commons. Burgers, private sector en overheid. Dat een geïdealiseerd beeld van de commons onrealistisch en ongewenst is, blijkt uit diverse bijdragen in dit boek: niet alle commons zijn ‘per sé goed’. Waar volgers van Elinor Ostrom nog al eens vergeten dat de historische commons ook in een bredere socio-economische en socio-politieke context tot stand kwamen en functioneerden, blijkt hoe concrete commons hybride mengsels zijn van diverse beheersvormen. Commons in enge zin zijn essentieel voor hun nadruk op burgerinitiatief, gedeeld gebruik en beheer, en solidariteit als compleet ondergewaardeerd organisatieprincipe. Maar naast commons in enge zin, staan ook markt en staat. Polanyi toonde al aan dat in alle grote samenlevingen tot vóór het kapitalisme, naast uitwisseling die gebaseerd is op wederzijdsheid, ook herverdeling en marktrelaties mechanismen waren om toegang tot hulpbronnen te organiseren. Commodificatie en decommodificatie zijn tegelijk actief. Een aantal sociale wetenschappers spreken van hybride governance of meta-governance, waarin commons een mengsel zijn van diverse organisatievormen. Voorbeelden daarvan komen later vandaag aan bod. Commons zijn dan een tegenbeweging die het dualisme privaat – staat kan/moet openbreken.

Onderhandelde commons. Het proces van hun totstandkoming is essentieel om hybride commons te begrijpen. De protagonisten realiseren concrete commons immers door tal van onderhandelingen in specifieke contexten. Ze stappen van de abstracte utopie naar concrete, tastbare vormen van commoning, en daar zijn spitsvondigheid en maatwerk mee gemoeid. Men moet de commons niet proberen te standardiseren, te stroomlijnen of in een keurslijf te dwingen. Concrete commons zijn meestal onderhandelde compromissen waarvan de totstandkoming lang duurt, waarvoor tegenstellingen tussen de psychologiën, wereldbeelden en logica’s van actoren moeten worden overwonnen, waarin interne onrechtvaardigheden en spanningen moeten worden opgelost, en waarin vooruitgang en achteruitgang en continuïteit en discontinuïteit elkaar afwisselen. Dit maakt het zo belangrijk om voorbeelden te bestuderen, en hoe commons daarin concreet tot stand komen. Haast onvermijdelijk liggen hier ook contradicties op de loer: kan een coöperatieve voor biolandbouw een schenking aannemen van een producent van gangbare gewasverbeteraars? Maakt het uit of trage wegen tot stand komen door de investering van privébedrijven die ook belangrijke returns voor de eigen business verwachten? Belangrijk is dat de grondgebonden commons-initiatieven de gangbare, veeleer exclusieve visie op eigendom in vraag stellen en de manier waarop markt en staat vandaag behoeften invullen.

Van eigendom naar gebruik. Wat collectief onderhandeld wordt bij ruimtelijke commons, is een erg brede categorie van ‘eigendomsregimes’: niet alleen de regels over het bezit, maar vooral ook de gebruiksrechten voor een divers en meer inclusief landgebruik en -beheer staan hierbij ter discussie. Veel aandacht moet dus gaan naar concrete vormen van organisatie (governance) en de juridische ondersteuning ervan. Dat vraagt om de nodige juridische flexibiliteit en mogelijk ook nieuwe juridische figuren die nu volgens het burgerlijk wetboek niet mogelijk zijn. Ook institutionele barrières moeten worden geslecht, bijvoorbeeld om collectieve huisvesting mogelijk te maken, pachtovereenkomsten te verstrengen of gebruiksovereenkomsten te diversifiëren.

Van klein naar groot verzet. Alhoewel dit boek geen post-kapitalistische revolutie verdedigt, zien we politiek realistische commons-initiatieven toch als belangrijke bronnen van verzet en verandering. Ook bescheiden bijdragen kunnen concreet gestalte geven aan de utopie en de belofte van de commons. Omdat we niet kunnen wachten op de postkapitalistische utopie van de allesomvattende recommoning, zijn echte commons-initiatieven ook ‘sociaal innovatief’. Commons voorzien in breed gedefinieerde menselijke behoeften die markt en overheid niet langer zien, emanciperen gemarginaliseerde actoren en doorbreken bestaande sociale (machts-)relaties en –structuren. Ze zijn dan de voorbode van socio-economische en socio-politieke transformatie. De grote verwezenlijkingen van de welvaartsstaat die de scherpe kanten van de marktsamenleving voor velen hebben afgevlakt, zoals vakbonden, sociale zekerheid, grondherverdeling en milieuwetgeving, zijn op die manier tot stand gekomen. Sommigen hebben daar ook hun leven voor gegeven. De potentiële impact van lokale experimenten komt in het bijzonder tot uiting bij vermenigvuldiging: niet zozeer het opschalen, maar veeleer de proliferatie van kleinschaligheid leidt tot een bredere commonsbeweging. En daar kan de overheid veel meer steunen en sturen.

Concrete landed commons in tien grote principes.

Om verder mee aan de slag te gaan, hebben we de betekenis van commons samengevat in 10 zogenaamde grote principes van de landed commons.

  1. commons zijn een collectief overeengekomen of gemedieerd systeem van diverse landgebruiksrechten en gedeeld landgebruik
  2. het gaat om een gemeenschapsgebaseerd grondgebruik en eigenaarsschap
  3. commons omvatten institutionele diversiteit en een breed spectrum van eigendomsregimes ‘tussen’ privaat en publiek, met ook diverse juridische regelingen
  4. commons zijn inclusief en daardoor ook efficiënt
  5. commons zijn een hybride organisatie- en beheersvorm
  6. commons maken sociale én ecologische relaties
  7. de soort van commons bepaalt vaak ook de manier waarop ze worden beheerd
  8. de rol van de staat blijft belangrijk
  9. de stewards die zorg dragen voor de commons vormen een host community die actief wordt geconstrueerd
  10. regels voor het gebruik van commons verhinderen de overexploitatie ervan.

Met commons aan de slag

Dan blijft de vraag hoe groot de marges zijn om een meer solidaire, zorgvuldig beheerde, gedeelde wereld, gedragen door commons die de markt terug op zijn plaats zetten, te realiseren. Ik lijst heel kort nog een aantal punten op voor diverse doelgroepen. Doorheen de rest van de dag komen elementen daarvan nog terug.

Burgers. Zij kunnen leren uit voorbeelden; experimenten blijven uitvoeren; de marge van het mogelijke opzoeken; vragen om verandering van beleid, eigendomsrecht, subsidies, fiscaliteit, wetgeving, overlegprocedures, …; zij kunnen zorg, solidariteit, rechtvaardigheid, overleg, creativiteit benadrukken; en commons vermenigvuldigen, liefst op zo’n manier dat overheden en markten gedwongen worden om zich aan te passen, ifv structurele verandering op lange termijn.
Middenveld. Dat wordt in deze discussie soms vergeten maar is vermoedelijk cruciaal; het kan investeren in vernieuwende commonsinitiatieven; uit de haar bekende rollen treden; zoeken naar de integratie van burgers, nieuwe verenigingen en het bestaand middenveld; en bijdragen tot vermenigvuldiging en opschaling.
Overheden. Kunnen soepel omgaan met reglementen, convenanten afsluiten, juridische hulp verlenen, subsidies geven, participeren in semipublieke of semiciviele organisaties, belastingen kanaliseren, zich verzetten tegen economische imperatieven, en investeren in de uitvoering van projecten. Zij kunnen ruimte geven aan dynamische persoonlijkheden om commons uit te bouwen. Zij kunnen experimenten toelaten in regelluwe omgevingen, steun geven aan het uitbouwen van netwerken van commons en daarmee een partnerstaat bouwen, de democratie verbreden en verdiepen, bredere solidariteits mechanismen bewaken ifv externe inclusie, en herverdeling en solidariteit tussen commons stimuleren. Juridisch apparaat. Dat wordt vandaag sterk bepaald door 200 jaar reductie van eigenaarsschap en stewardship naar eigendom, via het beperkt aantal zakelijke rechten (de numerus clausus), de scheiding tussen privaat en publiek domein, de absoluutheid van het eigendomsprincipe en de afwezigheid van plichten in het zakenrecht, de grote plaats die vastgoedrecht inneemt in het recht en in de samenleving, onder andere ook via de vergunningverlening in de ruimtelijke ordening. In de toekomst zijn nieuwe rechtsfiguren noodzakelijk zoals bijvoorbeeld de milieu-erfdienstbaarheid, gemeente-eigendom, mede-eigendom, convenanten en samenwerkingsovereenkomsten, erfpacht, recht van opstal, scheiding van grond- en woningbezit, informeel gewoonterecht, de cooperatieve; het juridisch apparaat kan barrières doorbreken tussen publiek en privaat en tussen zakenrecht en contractrecht. Het kan juridische status geven aan de commons. Het kan misschien zelfs verplichtingen opleggen aan grondgebruik, ifv het beter doorgeven van grond aan de volgende generaties.
Tot slot de private sector. Dat is weinig ontgonnen terrein. Kunnen we daar iets doen met ecosysteemdiensten? investering in corporate social responsibility bestaat al, maar is te mager. De private sector kan veel sterker investeren in de commons. Zij kan ook verantwoordelijkheid nemen voor de zorg voor onze planeet en het afwentelen van negatieve externaliteiten op de gemeenschap. Daarvoor zijn andere waarderingsvormen, andere organisatievormen, langere terugverdientijden noodzakelijk.

Email This Page